Lichaamshouding en aerodynamica
← Terug naar techniek
18 juni 20266 min leestijd

Lichaamshouding en aerodynamica: de strijd tegen de lucht

Boven de 40 km/u is luchtweerstand de grootste rem. Over zithoogte, romphoek, armhouding en wat windtunneldata ons leren over de ideale schaatshouding.

De prijs van de lucht

Op topsnelheid — 50 tot 55 km/u op de sprint, 45 tot 50 km/u op de langere afstanden — gaat tot 80 procent van je geleverde vermogen naar het overwinnen van luchtweerstand. Slechts 20 procent gaat naar wrijving met het ijs. Dat betekent dat een kleine verbetering in je aerodynamica meer oplevert dan een grote verbetering in je kracht. Een procent minder luchtweerstand levert op de 1500 meter ruwweg drie tienden van een seconde op. Dat is het verschil tussen een medaille en een vierde plek.

Frontaal oppervlak: kleiner is sneller

Luchtweerstand is evenredig met je frontale oppervlak — het silhouet dat de lucht 'ziet' als je erop af rijdt. Alles wat dat oppervlak kleiner maakt, maakt je sneller. De belangrijkste factoren: je zithoogte (dieper zitten = kleiner oppervlak), je romphoek (horizontaler = kleiner oppervlak), je armhouding (armen op de rug = minder breed) en je hoofdpositie (hoofd in lijn met de romp). In de windtunnel is het verschil meetbaar: een schaatser die vijf centimeter dieper zit en zijn armen strakker op de rug houdt, bespaart tot acht procent luchtweerstand.

De armhouding: op de rug of zwaaiend

Op de langere afstanden rijden schaatsers met de armen op de rug. Dat vermindert het frontale oppervlak en spaart energie in de armspieren. Maar de armen zijn niet passief — de hand achterop de rug stabiliseert de romp en de positie van de vuisten bepaalt de bovenlijn van het silhouet. Op de kortere afstanden zwaaien de armen mee. Die zwaai levert extra impuls maar vergroot het frontale oppervlak. Het compromis: een gecontroleerde, compacte armzwaai die kracht toevoegt zonder te veel luchtweerstand te genereren. De ellebogen blijven dicht bij het lichaam, de handen komen niet hoger dan de schouder.

Het pak en de helm

De laatste procenten aerodynamische winst zitten in het pak en de helm. Moderne schaatspakken hebben textuurpanelen — ruw op sommige plekken, glad op andere — die de luchtstroom sturen en turbulentie verminderen. Het verschil tussen een goed en een slecht pak is meetbaar in honderdsten per ronde. De helm of muts sluit de bovenzijde van het silhouet en voorkomt turbulentie rond het hoofd. Op topniveau worden pakken en helmen individueel getest in de windtunnel, met sensoren die de luchtdruk op het lichaam meten. Het is high-tech — maar uiteindelijk gaat het om de basishouding. Geen pak compenseert een slechte zitpositie.

Aerodynamica versus comfort

De meest aerodynamische houding is niet de meest comfortabele. Een extreem lage romphoek vermindert de luchtweerstand maar beperkt de ademhaling en belast de onderrug. Een diepe zitpositie verlaagt het frontale oppervlak maar vermoeit de quadriceps sneller. De kunst is het optimum te vinden: de houding die de minste luchtweerstand geeft die je een hele race kunt volhouden. Dat optimum verschuift met je conditie — een sterkere schaatser kan dieper zitten zonder vermoeid te raken. Het verschuift ook met de afstand — op de 10.000 meter zit je hoger dan op de 1500 meter. De coach die dat optimum kent voor elke sporter en elke afstand, maakt het verschil.

Interesse in aerodynamische optimalisatie?

Neem contact op