De start: explosiviteit en de eerste vijf slagen
De eerste vijf slagen zetten de toon voor de hele race. Over starthouding, de overgang van lopen naar glijden, en waarom een goede start op elke afstand telt.
De starthouding: laag, explosief, voorgeladen
In de starthouding staat de schaatser met één voet voor en één achter, het lichaam laag en naar voren. Het gewicht rust op de voorste voet, de achterste staat op de punt van het blad. De armen zijn klaar om de eerste zwaai te maken. Het lijkt simpel, maar de details maken het verschil. De hoek van de voorste knie — rond de 90 graden — bepaalt hoeveel kracht je in de eerste stap kunt zetten. De positie van het zwaartepunt — net voor het steunpunt — bepaalt hoe snel je in beweging komt. En de mentale staat — ontspannen maar geladen — bepaalt je reactietijd op het startschot.
De eerste drie stappen: lopen op het ijs
De eerste drie stappen van een schaatsstart zijn geen schaatsslagen maar looppassen. Je duwt niet zijwaarts maar achterwaarts, zoals een sprinter uit de startblokken. Het blad staat bijna loodrecht op de rijrichting en de afzet is recht naar achteren. Die stappen moeten kort, explosief en snel op elkaar volgen. De fout die veel schaatsers maken: te snel willen glijden. Ze maken de eerste stappen te lang, waardoor het blad wegglijdt in plaats van grip te houden. De beste starters houden het compact — drie tot vier korte explosieve stappen — en laten de overgang naar glijden vanzelf komen wanneer de snelheid hoog genoeg is.
De overgang naar glijden
Tussen stap drie en stap vijf vindt de overgang plaats van lopen naar schaatsen. De afzet draait van achterwaarts naar zijwaarts, het blad begint te glijden, en de schaatsslag neemt zijn normale patroon aan. Die overgang is een kwetsbaar moment: als je te abrupt overschakelt, verlies je snelheid. Als je te lang blijft lopen, verspil je energie. Op topniveau is de overgang nauwelijks zichtbaar — het is een geleidelijk proces van vijf tot acht slagen waarin de slagrichting draait, de slaglengte toeneemt en de frequentie daalt naar het rijritme.
De start op verschillende afstanden
Op de 500 meter is de start allesbepalend — de eerste 100 meter vormt een derde van de race. Hier gaat het om pure explosiviteit en maximale kracht in de eerste stappen. Op de 1500 meter is de start belangrijk maar niet dominant — je moet snel op snelheid komen zonder te veel lactaat op te bouwen. Op de lange afstanden is de start vooral een kwestie van efficiëntie — gecontroleerd versnellen naar je kruissnelheid zonder energieverspilling. De starttechniek is dus afstandsspecifiek, en de beste schaatsers hebben voor elke afstand een andere startvariant ingeoefend.
Interesse in startechniek-coaching?
Neem contact op